Ademhalen werd steeds moeilijker.
Overal om ons heen was alleen maar duisternis – een soort duisternis waarin zelfs het idee van licht absurd aanvoelde. Water druppelde van de vochtige muren, echoënde geluiden vulden de lucht, en zo nu en dan een verre schreeuw van een onbekend wezen... het was genoeg om de geest te verlammen.
Mijn hand lag op de rots. Koud, nat en vreemd trillend. Misschien verbeeldde ik het me – of misschien bewoog de muur echt.
Professor Lidenbrock liep een paar stappen voor hem uit. Hij hield een zaklamp vast, maar het licht ervan onthulde alleen zijn gezicht – al het andere werd door de schaduwen verzwolgen.
"Stop!" zei ik, mijn stem brak en gespannen. "Er beweegt iets... er beweegt iets verderop!"
De professor draaide zich naar me om. Er stond geen angst in zijn ogen – alleen verwondering. Alsof hij al jaren op dit moment had gewacht.
"We zijn er bijna... Ik voel het, Axel. De geheimen van de aardkern roepen ons."
Ik keek om. Onze metgezel Hans zat zwijgend tegen de muur. Zijn gezicht was doorweekt van het zweet, zijn ogen leeg. Hij had het afgelopen uur geen woord gesproken, maar bleef maar in dezelfde richting staren.
Toen begon de grond plotseling te trillen.
Heel zachtjes, alsof er een gigantisch wezen onder ons wakker werd. Een diep geluid kwam uit de kieren in de muur – iets wat de menselijke taal te boven ging.
We staarden elkaar aan. In deze duisternis voelde alles als een vijand – zelfs onze eigen schaduwen.
En hoe is dit allemaal begonnen?
Twee maanden geleden zaten we in een oude bibliotheek in Hamburg. Dezelfde bibliotheek waar we die verborgen boodschap in een versleten boek vonden – een boodschap die ons ertoe aanzette deze reis te maken. Een reis waarbij elke stap de aarde en de tijd achter zich liet… en waarvan het einde hier zou kunnen zijn – te midden van deze duisternis, deze stilte en deze angst.
